Bij een dichte trap is trapverlichting een kwestie van gaten boren in het stootbord. Bij een open trap ligt dat anders: dat vlak is er niet. Toch is juist een open trap een van de mooiste plekken voor licht laag bij de grond, omdat het licht dan door de trap heen valt in plaats van erop.
Hieronder de drie manieren die in de praktijk werken, met eerlijk erbij wat elke variant vraagt aan voorbereiding.
1. In de muur naast de trap
Loopt de trap langs een muur, dan is dit veruit de meest gebruikte oplossing en ook de nettste. Je bouwt de armaturen in de muur in, op ongeveer 15 tot 20 cm boven de trede, en je volgt de lijn van de trap mee naar boven.
Wat je nodig hebt is een muur waar je een inbouwdoos in kwijt kunt. Bij gipsplaat is dat eenvoudig. Bij steen wordt het boren, en dan is het slim om de posities eerst af te tekenen voordat er ook maar iets de muur in gaat — een schuine lijn van lichtpunten die niet parallel loopt aan de trapleuning valt meteen op.
De Trevo heeft een zaagmaat van Ø46,5 mm, wat in een standaard inbouwdoos past. Het opzetstuk dat je erop schuift bepaalt welke kant het licht op gaat; voor een muur naast een trap werkt "licht onder" of de variant met een bundel van 60° het best, omdat je dan de trede verlicht en niet het plafond.
2. In de trapboom
De trapboom is de schuine balk waar de treden in vastzitten. Bij een open trap is dat vaak het enige verticale vlak dat er is, en er zit meestal genoeg hout in om een module kwijt te kunnen.
Meet eerst hoe dik de boom is. De inbouwdiepte van onze modules ligt rond de 34 mm, en er moet achter het armatuur nog ruimte overblijven voor de kabel. Bij een boom van 40 mm massief hout wordt het krap; bij 60 mm of meer kan het prima. Twijfel je, boor dan eerst een proefgat op een plek die je later niet ziet.
Het nadeel: de kabel moet ergens langs. Bij een trap die tegen de muur staat verstop je die aan de achterkant. Staat de trap vrij, dan is een groef frezen in de achterkant van de boom de nette oplossing — werk dat je liever doet vóór de trap geplaatst is.
3. Onder de treden
Licht onder de overstek van de trede, gericht op de trede eronder. Dit geeft de zachtste uitstraling van de drie, omdat je de lichtbron zelf niet ziet — alleen het effect.
Het vraagt wel de meeste voorbereiding, want de bekabeling loopt dan onder elke trede door. Dit is typisch iets dat je meeneemt bij nieuwbouw of bij een traprenovatie, wanneer de treden er toch af gaan. Achteraf inbouwen kan, maar dan werk je van onderaf op je rug en dat is een ander soort klus.
Wat je bij een open trap juist niet moet doen
Licht recht naar boven richten. Bij een dichte trap kan dat nog, omdat het stootbord het meeste tegenhoudt. Bij een open trap kijk je vanaf beneden zo in de lichtbron, en dan verblindt hij precies op het moment dat je je voet neerzet. Kies dus altijd een opzetstuk dat het licht naar beneden of naar opzij stuurt.
Even zo goed: niet elke trede verlichten. Bij een open trap wordt dat snel te veel, omdat het licht ook nog eens door de trap heen valt. Om de twee of drie treden is genoeg.
Hoeveel het kost
Reken per lichtpunt met een basisdeel en een opzetstuk. Het Trevo basisdeel kost € 14,95, een opzetstuk € 13,95. Voor een trap van veertien treden met verlichting om de twee treden kom je dus op zeven sets, ofwel ongeveer € 202.
Daar komt geen driver bij: onze modules werken rechtstreeks op 230 volt. Dat scheelt niet alleen geld, maar ook ruimte achter het inbouwpunt — precies wat bij een open trap schaars is.
Kort samengevat
- Trap langs een muur → in de muur inbouwen, 15 tot 20 cm boven de trede.
- Trap vrij in de ruimte, dikke boom → in de trapboom.
- Nieuwbouw of traprenovatie → onder de treden, mooiste resultaat, meeste werk.
- Altijd licht naar beneden of opzij, nooit recht omhoog.
- Om de twee of drie treden, niet elke trede.
Twijfel je over de inbouwdiepte of over welk opzetstuk bij jouw trap past? Stel je vraag — een foto van de trap zegt meestal genoeg.